over twee meisjes

En dan hoor ik op eens een nummer van Raymond. Onze belgische troubadour, bekend van dat hij liefde wil,  zijn ode aan Zjoske, zotte meisjes, Vlaanderen boven.

Henk Spaan heeft heimwee naar een oranje in een EK. Als ondersteunende klanken gebruikt hij het nummer “Twee Meisjes” van Raymond. En wat een mooi klein schoon werk is dat toch.

Maar wat maakt dit lied zo bijzonder? Waarom wil ik daar zo vaak mogelijk naar luisteren.

“Twee meisjes op het strand
ze lezen modebladen
ze kijken in het rond
ze dromen van een prins

twee meisjes op het strand
ze lezen modebladen
ze kijken in het rond
ze dromen van een prins

ze zoeken in hun tas
ze wijzen naar de foto’s
ze schudden met hun haar
ze praten met een vriend

twee meisjes op een plank
gedragen door de golven
het branden van de zon
de wijzers houden op

de dag brengt ouderdom
de nacht brengt vreemde uren
de deken is zo zwaar
een bladzijde slaat om”

Het zijn maar 5 strofes, geen refrein. Al lijkt het soms wel. Dat er een refrein is, of dat er een rijm in zit. Niets van dit alles. Een parel van een verhaal. Intiem en vol gevoel gezongen door Raymond.
Hij ziet twee meisjes op het strand. Het is zomer, ze lezen modebladen. Maar wat lezen ze? Ze dromen van een prins. Welke? Maar ze wijzen wel naar de foto’s. Wat zien ze, wat voelen ze, wat denken ze? Maar dan surfen ze weg, over de golven, ze weerstaan de zon.
En bij strofe vijf is de ouderdom toegeslagen. Ze zijn ergens aangekomen, met een nacht met vreemde uren.

De melodie is eenvoudig, de opbouw krachtig naar het einde. Als de bladzijde omgeslagen is voel je wat Raymond wil zeggen. Het zijn de kleine details die hij meegeeft, het gevoel in zijn stem, de pianoklanken dat je meedragen met dit wondermooie nummer en zo het leven van deze twee meisjes in zes minuten aan je voorbij laten gaan.
En dat van een een LP genaamd “ik ben God niet”. Maar Raymond is God.

[embedyt] http://www.youtube.com/watch?v=ZM8xWuLIvrw%5B/embedyt%5D

over een ander konijn

27135534054_47532318d8_z(1) Ik ben Giulia.
Ik woon samen met Romeo, mijn mannetje, mijn rammetje.  Net als mijn maatje ben ik nu iets meer dan vier jaar. Da’s een hele leeftijd voor een (tam) konijn. Ik ben het moertje. We hebben geen kleine nijntjes. De mensen hebben iets met ons laten doen om ervoor te zorgen dat we nooit meer  (veel) teveel nageslacht produceren. Want ik kan je vertellen, we houden ervan.
In de echte wilde woeste natuur overleefd natuurlijk maar een een klein aantal het gevaarlijke leven. Buizerds, vossen, mensen, bouwvakkers, honden. Van alles ligt op de loer.
Nu zitten we veilig binnen in ons paleis. Een jezus bak met stro, hooi. Kunnen we lekker knabbelen en boel onder pissen en poepen. Van die lekkere dikke nijnen keutels. De mensen kijken daar graag naar omdat het schijnbaar een goed teken is.
Ik maak graag de buurt onveilig. Zodra ik het paleis verlaat hoor ik haar al roepen: o loeder loopt los. En ja, ik spring graag op de bank. Om er dan achter te komen dat ik er niet meer van af durf te springen. En ja, ik loop graag naar buiten, zet mijn tanden in de overheerlijke lavendel om mij vervolgens twee dagen misselijk, beroerd en kut te voelen. Maar ja, lavendel is zoet en verleidelijk.
Ik heb altijd honger en ik loer dan ook vaak of mijn buddy Romeo zijn eten nog niet op heeft. Ik pak zijn bak dan in mijn bek en trek het naar mij toe. Heerlijk dat extraatje.

Ik vind het heerlijk om boven om mijn mannetje te zitten. Ik ben immers de baas. Maar het is ook genegenheid hoor. Geen idee wat ik zonder hem zou moeten. Het is zo gezellig met hem. Hij laat me zijn wie ik wil zijn. Hij luistert naar me en likt me wanneer het nodig is. Samen zijn we nijngelukkig.
Samen water drinken, samen lekker broeien onder ons knaaghoutje. Ik voel zijn hartje kloppen, zijn aanwezigheid. Hopelijk worden we oud en wijs en als het zover is dan wil ik samen met mijn buddy de regenboog oversteken.
Kwa kleur lijken we op elkaar. Maar het zijn, zoals altijd, de details die ons onderscheiden: Romeo heeft een mooie witte vlek rond de ogen. Ik niet. Mijn vacht en lijf zijn wat steviger. Romeo is slank en sterk. Maar ja, da’s een ram. Daar waar Romeo’s oren recht opstaan, van mij liggen ze vaak plat.
Ik hou van chillen, eten, slapen en onderzoeken. En naast mij hoor ik vaak iets ritmisch. Muziek. Ik vind het leuk. Maakt mij vrolijk. Maar als ik Freek Vonk op de televisie zie moet ik kotsen.

Er komt soms een mens met een apparaat. Hoor ik klik of een zoem geluid. Ik hou er niet van. Ik ben geen ijdeltuit. Zoals Romeo.

over een konijn

RomeoKonijn

Mijn naam is Romeo. In het rijk der dieren ben ik een konijn. Nu is dierenrijk een groot begrip, immers ik woon in een huis. Met mensen. Ik ben een konijn van het soort dat mensen Thrianta noemen. Een kruisbestuiving van een twee- of drietal soorten konijnen. Daarom heb ik ook die zacht oranje achtige kleur.
Ik ben nieuwsgierig en wil graag weten wat er in mijn omgeving gebeurd. Ik hou van eten, slapen, eten, ravotten, mijn meisje Giulia liefkozen en dagdromen. Ik heb een druk bestaan.
Ik heb altijd een drukke dag. Vroeg in de morgen moet ik al mijn korrels op eten. Ik moet oppassen dat Giulia ook niet mijn korrels opeet. Gelukkig is er altijd hooi. Dat is erg lekker. Het hooi wordt in een soort van bak gegooid. Ik wil altijd het onderste strootje. Die zijn het lekkerst. Ik gooi dan vaak de bak met hooi om. Of ik rammel er lekker hard aan. Naast mijn paleis staat en stoel, daar gaat vaak een mens zitten. Ik ga dan op mijn achterste poten staan en kijk heel zielig.
Meestal krijg ik iets lekkers: een snoepje, maar meestal lekkere kruiden.
Als het warm is kruip ik lekker tegen mijn meisje aan, lekker samen broeien. Maar als het later wordt en koeler dan ga ik weer door het huis sluipen. De paleisdeuren staan dan open en kan ik op de bank springen, of bij het raam liggen. Naar buiten kijken. Meestal is het nat buiten.
Ik hou ook van water drinken, lekker met mijn snoet in de bak met water en het naar binnen happen.

Soms gebeurd het dat de mens naar mij toekomt en mij lief aait. Dat komt omdat ik soms eng droom en ik begin te gillen. Dat vind de mens eng.
Soms pakt een ander mens mij op en lig ik op zijn kleren. Dat vind ik wel fijn. De haartjes haalt de mens dan weg met een ding dat ze ‘borstel’ noemen. Ik vind dat een fijn gevoel.

Ik ken geen verschil van dag of nacht. Ik ben altijd wakker. Soms een snel tukkie. Als het donker is zie ik ook goed.

De mens komt vaak met een apparaat bij me. Dat noemen ze ‘fototoestel’. Geen idee wat dat is. Blijkbaar is het belangrijk omdat de mens dan vaak heeft dat andere mensen mij dan zien.

Vreemde wezens hoor, die mensen.