Happy Few

Elke werkdag, voor dag en dauw, sta ik op met een glimlach. Lachend ren ik onder de douche, schuddenbuikend gooi ik muesli in mijn bakje en doe er vrolijk macrobioligische kwartslaggedraaide yoghurt overheen. Met gloeiende ogen lepel ik al dat lekkers naar binnen.

Fluitend open ik mijn voordeur, huppel naar het station. Met een onverwoestbaar vertrouwen sta ik op perron 2. Helaas, de trein heeft ‘enkele minuten vertraging’. Dan meldt de omroepdame dat de trein op perron 5 aankomt. De honderden medereiziger wandelen door de vroege herfstregen, kou en wind doorstaand. Op perron 5 blijkt de trein toch op perron 2 aan te komen.
Lachend en elkaar aanstotend lopen wij de 84 treden omhoog om de 84 daarna weer af te dalen. De fluit van de conducteur noopt ons tot een sprintje. Coulance kent de Spoorwegen niet. We vertrekken, hortend, stotend, tegen elkaar aan gedrukt. De warme billen van mijn buurvrouw. Zwoel kijkt ze me aan. Dit gebeurt vaker en ze geniet ervan. Een vent laat schaamteloos voelen hoe hij zicht voelt. Elke dag hetzelfde ritueel.
Dan wurmt zich de reizigers controle door de menigte. Niet de conducteur, maar de volslagen overbodige mensen in rode jasjes die kijken of je een kaartje hebt of niet. Wij, forenzen, kijken elkaar aan. We lachen. De saamhorigheid is ongekend.

Eindelijk komt mijn uitstap station in zicht. We rollen binnen, het perron lonkt aan de linkerzijde. Ik wurm mij, zoals elke dag, naar de uitgang. Godzijdank gaan de deuren open als ik op de blauwe knop druk. Ik spring op het perron; zwart van de mensen. Heerlijk. Alleen maar blije gezichten.
Gelukzalig loop ik naar mijn kantoor, een reistijd van een half uur zit er bijna op. Ik kan mijn geluk niet op. Ik pak een heerlijke koffie.
Dampend pak ik de mok, breng het aan mijn lippen en neem de eerste slok. Ik denk, ja de politiek heeft gelijk. Zoals altijd. Ineke van Gent moet president worden. Ik ben forens en ik ben godvergeten trots dat ik dat ben! Ik behoor tot de Happy Few.

Mijn collega komt binnen, bezweet van het fietsen. Ik lach hem recht in zijn gezicht uit. Hij is een loser op zijn fietsje.
“Hoeveel reisgeld moet je eigenlijk bijleggen,” vraagt hij dan.
“Euh.. honderdzeven euro, zoiets,” antwoordt ik beschaamd.
“Bestaat Groen Links eigenlijk nog,” gaat hij verder. Ik denk na. Nee, die partij is na de dramatisch verkiezingen opgeheven. De miljoenen forenzen, potentiele Groen Links stemmers, waren tot op het bot beledigd door Vrouwtje van Gent.

“Wat doet die Sap nu?” Mijn collega lacht hard. Ik kijk op zijn PC en zie de website: “Smoothies van Sap, hoe progessiever hoe liever.”

Openbaar Vuilnisvat

Het smerigste vervoermiddel in Nederland is, op de strontkar na, de trein. Telkens trap ik er weer in. Elke dag de stille hoop een schoon een fris ruikende ‘Sprinter’ aan te treffen waarin ik mijn 30 minuten durende reis prettig kan doorbrengen.

Als ik in de vroege ochtendmist de trein zie staan dan weet ik al. Hoe meer bedolven onder graffiti, hoe muffer de geur binnen. Om maar te zwijgen van de treurnis van zo’n gele dubbeldekker. Deze ijzeren reus mag geen eens het predicaat ‘trein’ hebben. Kleine banken, plastic groene zetels. Daar waar kleine kinderen over plassen omdat ze na een dag met opa en oma te moe zijn om het juiste toilet te vinden.

De iets nieuwere ‘Sprinters’ mogen dan wel ruimer lijken, ze zijn het niet. De stoffen bekleding laat uitbundig het ‘verleden’ herbeleven: zand, poep, braaksel, eten, friet, mayonaise.
Gelukkig, in dezelfde vroege ochtend stappen de frisse en fruitige meisjes in de trein. Fijn ruikend naar Franse korenbloem velden, zuid Spaanse zandstranden of sub tropische palmbomen-olie. Totdat ze een overheerlijke energie drank optrekken. De penetrante zoete geur laat mij keer op keer wakker schudden en laat mij terug keren in de harde realiteit: het nu.

Het is druk in de trein. Zomer, herfst, winter of lente, het maakt niet uit: iedereen is altijd verkouden. Medereizigers blaffen ongegeneerd in het rond. Bacillen zijn erom op te vangen, wij ademen het wel in, we recyclen. Peuteren enthousiast in hun neus en bekijken vol trots het resultaat om het vervolgens weg te schieten of onder de stoel te plakken.

Na vijfentwintig minuten rol ik de oververhitte trein uit. Frisse buitenlucht, nooit gedacht dat Nederland zo fris kon ruiken in de ochtend!

Een uur of acht uur later heb ik, bijna dezelfde trein terug. Wat is er verandert? De prullenbakken zijn overvol met blikjes, papier en andere rommel. De vloer is bezaaid met een plakkerige substantie die ooit uit een koffiekarton of limonadeblikje is komen glijden. Kun je het niet op, dan gooi je het gewoon over de vloer. Het is niet van mij en de maatschappij ben ik, dus waarom zou ik aan de anderen reizigers denken?

Bij het eindpunt trek ik met moeite mijn schoenen los van de grond. Mijn tas haal ik met enig geweld van de vloer. Trekkend, scheurend en schurend win ik het gevecht. Elke voetstap geeft een plak-plak geluid. Ik kan nog net de open en dicht knop herkennen, links en rechts kunnen ze niet zo makkelijk verwisselen.

Thuis neem ik een douche. Daar hoef ik niet in- of uit te checken. Ik bouw een schild om me heen om de volgende dag weerbaar te zijn. Tegen de invloeden van buitenaf.

tien jaar later

Nederland staat vandaag even stil bij de dood van PimF. De terugkerende vraag is ‘waar was jij toen?’ Ik heb daarover nagedacht en eigenlijk weet ik het niet meer zo duidelijk. Ongetwijfeld thuis of op kantoor. Het was immers een uur of zes ’s avonds dat ‘het’ gebeurde.

Wat ik mij wel heel goed kan herinneren is de dag daarna. Zeven mei 2002 was een warme, zonnige dag. Ik fiets door Hilversum, Emmastraat, en wat mijn toen is opgevallen is de onaardse stilte. Onwezenlijk eigenlijk. Alsof het land even stil staat bij een gebeurtenis die niet zo zeer diepe wonden slaat maar wel het besef geeft dat het veilige suffige Nederland met één geweerschot ‘volwassen’ is geworden.

De stille hoop dat alles ‘anders’ zou worden. Maar nee, het land is voor een tijd verdoofd. Staat stil en pakt dan de draad gewoon weer op. Blijkt later. Natuurlijk PimF heeft geroepen: ik zeg wat ik denk. En opeens denkt iedereen te moeten zeggen wat hij of zij denkt. En daar gaat het, soms, een beetje fout. Het hangt er erg vanaf wie er zegt wat hij of zij denkt.

Tien jaar later zitten wij met een soort halfbakken erfenis van PimF en zijn flamboyante wind. Is DiederikS de linkse uitvoering van PimF? Waarom niet. Zie ik DiederikS dan zie ik een losgeslagen zeehondje die nerveus zijn puntjes probeert te scoren. De ervaren zeehondencoach geeft niet thuis. Wordt wellicht niet door DiederikS getolereerd. Immers, nu is zijn momentum, nu is de tijd om toe te slaan.

Tien jaar geleden stond Nederland één dag stil. De politieke zorgen zijn nu omgeslagen in economische zorgen. En de politiek durft nog altijd niet die maatregelen te nemen om de economie echt uit de recessie te halen. Wie zegt er tegenwoordig nog wat hij of zij denkt?