valentino bij de dierendokter

Vandaag heeft nijn ook niet al te veel zin in zijn dagelijkse portie korrels (2×25 gram). In de vroege ochtend wil hij graag die bak met korrels bijkans uit mijn handen trekken, maar vandaag geeft hij geen sjoege.
Liever ligt hij de hele dag warm tussen de brokken hooi en stro om af en toe te knabbelen. Op zich goed, immers het darm systeem van een konijn is nogal ingewikkeld en als dat niet meer in beweging is, dan is het snel afgelopen.

Maar van hooi en stro alleen is nog nooit iemand oud geworden om maar te zwijgen van ruiken aan water.
Gelukkig is Valentino een toneelspeler eerste klas en doet alsof er niets aan de hand is als ik ’s avonds thuis kom. Maar wij kennen onze pappenheimers en hij mag in zijn geliefde reiswiegje mee naar de dierendokter.
Er is nog een kreupel hondje voor ons waar het baasje tot drie keer toe uitgelegd moet worden dat het hondje 2 keer per dag 2 tabletten moeten krijgen te beginnen morgenmiddag.
Dat schijnt voor bepaalde mensen erg moeilijk te zijn. Hond sleept zich naar buiten, en de dierendokter ziet Valentino al zitten.

“Valentino mag nu al naar binnen komen hoor,” zegt hij vrolijk. Het voordeel van een idiote naam voor een konijn is dat iedereen weet hoe Valentino eruit ziet. Voordeeltje.
Dokter voelt een beetje, steekt een thermometer in zijn kont, zet een stuk ijzer in zijn bekje, schaaft wat aan zijn kiesjes (“ja hij heeft wel aanleg voor uitgroeisels op zijn kiezen, iets om te noteren”) en vervolgens krijg meneer Rossi een spuit en ik mag hem ook drie keer per dag 1/3 van hetzelfde geven. Immers het darmsysteem mag niet tot stilstand komen.
Plus nog een zak test voer (super duur maar ach het is gratis), Valentino pint 40 euri en de reis naar huis wordt weer aangevangen. Een trein komt voorbij, de streekbus stopt. Het waait hard.
Thuis holt Hij weer door het huis en eet lekker uit zijn eetbak. Dit keer uitsluitend het super dure testvoer.

Het was weer een vermoeiende avond voor nijn. Gelukkig smaakt het water weer een beetje.

Maar of dat genoeg is om de dagelijkse medicamenten te omzeilen. Nee dus. Nijn houdt mij niet voor de gek.

nijn

Vandaag is nijn niet zo in zijn hummetje. Ligt als een doorgewinterde tochtslof in zijn hok en heeft de strootjes comfortabel om zich heen gegooid.
Vandaag is nijn niet zo in zijn hummetje, was hij te druk gisteren? Komt de lente eraan? Wie het weet mag het zeggen; nijn kan niet zo goed schrijven.
Maar als zijn hokje opengaat springt hij er wel uit en spitst zijn oortjes bij een hard of hoog geluid. Zijn neusje wiebelt wiebelt. Zijn oogjes staan helder en zijn zo nijn als wat: een beetje treurig, verdrietig. Alsof hij het altijd erg slecht heeft.
En dan holt hij even door het huis. Het witte pluisje dat als staart functioneert geeft de juiste richting en stroomlijning.
Nijn stopt en staat stoer op zijn te kleine voorpootjes. ‘met mij, Valentino Rossi van Thrianta, is alles prima,’ lijkt hij te zeggen.

Ach, nijn heeft ook recht op een dip-dag. Morgen is hij weer de oude.

een stil geloof in engelen

Er zit een kleine jongen naast me: Joseph Calvin Vaughan. Hij, amper twaalf jaar oud, vertelt zijn verhaal. Een verhaal over een vader, een moeder, de Dood, Alexandra Webber, meisjes uit zijn klas die op brute wijze vermoordt worden. Maar ook, ontrouw, liefde en ouder ouder worden. Ik hoor zijn stem, ruik zijn adem, voel zijn emotie. Ik ruik Augusta Falls, de bloemen, de lucht, de geur van het land.

Ik lees een boek van Roger Jon Elleroy, wat zeg ik, HET boek van RJ Elleroy. Ik ben nog geeneens op eenderde van het boek en ben nu al tot tranen toe geroerd. De geestelijke aftakeling van Joseph’s moeder wordt zo intens beschreven; dat laat niemand onberoerd. En dat alles met de tweede wereldoorlog op de achtergrond; de snel veranderende tijd; voor jong EN oud.

Het zijn de herinneringen van Joseph Calvin Vaughan die je meeslepen. De taal van Ellory is overweldigend. Het lijkt heel simpel, eenvoudige woorden. Maar elk woord staat, elk woord hakt erin. Elk woord geeft je het gevoel dat jij naast die jongen zit, ligt, loopt, wandelt, kijkt, ruikt, voelt en praat. Je hoort zijn stem. Je ziet het naakte lichaam van juffrouw Webber. Je ruikt het ziekenhuis waar zijn moeder zal eindigen.

Ik moet nog 200 pagina’s en nu al weet ik dat dit één van de beste romans is die ik gelezen heb.

(recensie Volkskrant)
(recensie Leestafel)